Neefje Sam zat aan de keukentafel met een glas ranja en een stroopwafel. Oom Daan zat tegenover hem met de gemeentekrant.
Oom Daan
“Sam, weet jij wat eenmalig betekent?”Sam
“Ja hoor. Eén keer. Net als één snoepje pakken uit de trommel.”“Precies,” zei oom Daan. “Stel: jij krijgt elke week € 5 zakgeld. Maar ik zeg: Sam, deze week moet je één keer € 1 aan mij geven, want ik moet een nieuwe fietsbel kopen.”
Sam
“Oké. Dat is dan eenmalig.”“Juist,” zei oom Daan. “Maar wat als ik volgende week weer € 1 pak? En de week daarna weer? En daarna zeg ik ook nog: alles wordt duurder, dus voortaan pak ik € 1,10?”
Sam
“Dan is het niet eenmalig. Dan pakt u gewoon elke week mijn geld.”Oom Daan tikte op de krant. “Kijk, dát is nou precies het probleem. De gemeente zei: we verhogen de belasting één keer extra. Maar als ze dat bedrag daarna niet teruggeven, blijft het gewoon elk jaar in de rekening zitten.”
Sam
“Dus ze noemen het eenmalig, maar het blijft?”“Ja,” zei oom Daan. “En daarna verhogen ze het zelfs weer een beetje. Net alsof ik jouw ene euro niet alleen houd, maar er elk jaar nog een dubbeltje bovenop doe.”
Sam
“Dat is geen eenmalig. Dat is een trucje.”Oom Daan glimlachte. “Precies. Als je iets eenmalig noemt, moet het ook echtéén keer zijn. Anders gebruik je een mooi woord om iets minder mooi te laten klinken.”
Sam dacht even na.
“Dus de regel is: één keer is één keer. En elk jaar is elk jaar.”
“Beter kan ik het niet zeggen,” zei oom Daan.